De Voort Advocaten | Mediators https://devoort.nl/en/ Toonaangevend advocatenkantoor gespecialiseerd in juridisch advies, procesbijstand en mediation voor ondernemingen, organisaties, overheden en particulieren. Onze ervaren specialisten blinken uit in strategisch inzicht, praktische oplossingen en heldere communicatie. Wij zetten ons in om samen met u uit te blinken en het beste resultaat te bereiken. Ontdek onze expertise en maatschappelijke betrokkenheid in de regio Tilburg. Thu, 29 Oct 2026 13:50:03 +0000 en-US hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0.8 https://devoort.nl/wp-content/uploads/2020/10/cropped-logo-de-voort-32x32.png De Voort Advocaten | Mediators https://devoort.nl/en/ 32 32 Het Wtta-normenkader: wat moeten uitleners aantoonbaar op orde hebben? https://devoort.nl/en/uncategorized/wtta-normenkader/ Thu, 29 Oct 2026 13:50:00 +0000 https://devoort.nl/?p=8939002022 Het WTTA-normenkader telt veertien normeisen. Wat moeten uitleners, detacheerders en doorleners aantoonbaar op orde hebben?

Het bericht Het Wtta-normenkader: wat moeten uitleners aantoonbaar op orde hebben? verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Arbeidsovereenkomst, loonstrook, urenregistratie, verkoopfactuur: volgens het inspectieschema vraagt een inspectie-instelling zulke stukken per arbeidskracht op, op basis van een steekproef. Zo toetst zij of een uitlener aan het normenkader voldoet. De Wtta maakt de toelating tot de uitleenmarkt afhankelijk van die aantoonbare naleving.

Het (concept) normenkader telt veertien normeisen. Ze gaan onder meer over loonheffingen en btw, de loonadministratie, de arbeidsovereenkomst en de aansluiting tussen gewerkte, verloonde en gefactureerde uren. Het normenkader vertaalt bestaande arbeidsrechtelijke, fiscale en administratieve verplichtingen naar concrete inspectiepunten.

Alle ondernemingen die willen worden toegelaten om arbeidskrachten ter beschikking te willen stellen aan derden, moeten daarom hun feitelijke werkwijze en administratie tijdig toetsen.

Het normenkader en de andere eisen voor toelating

Voor een toelating van de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt gelden vier eisen. De onderneming levert een Verklaring Omtrent het Gedrag aan voor de onderneming en haar bestuurders, stort een waarborgsom van € 100.000 (tenzij hiervoor ontheffing kan worden verkregen), voldoet aantoonbaar aan het normenkader en voegt bij de aanvraag een inspectierapport waaruit dat blijkt. Het normenkader vraagt in de praktijk het meeste werk. Na de toelating toetst een inspectie-instelling periodiek of de onderneming er nog aan voldoet.

Wie onder de Wtta valt en welke data gelden, staat op onze Wtta-pagina.

Ga direct naar Wtta-informatie voor inleners
of
Ga direct naar Wtta-informatie voor uitleners

In het kort

  • Het normenkader is opgenomen in Bijlage I bij de Regeling Waadi en bestaat uit veertien normeisen: zeven algemene eisen en zeven eisen voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
  • Een aangewezen inspectie-instelling beoordeelt niet alleen of documenten aanwezig zijn, maar ook of procedures zijn ingevoerd, worden onderhouden en in de praktijk werken.
  • Afwijkingen worden als major of minor aangemerkt. De ernst van een tekortkoming beïnvloedt de gevolgen voor de toelating en de mogelijkheid tot herstel.
  • Voor doorleners is norm-eis 5.7 afzonderlijk relevant. Het normenkader definieert een doorlener als degene die een aan hem ter beschikking gestelde arbeidskracht vervolgens aan een derde ter beschikking stelt om onder diens toezicht en leiding te werken.

Praktisch antwoord

Behandel het normenkader niet als een eenmalige aanvraagcheck. Richt per norm-eis een controleerbaar dossier in, wijs intern een eigenaar aan en test vooraf of personeels-, loon-, uren-, factuur- en betaalgegevens op elkaar aansluiten.

De veertien normeisen

Hieronder staan per norm-eis de kern en het belangrijkste praktische aandachtspunt. De wettelijke tekst en het inspectieschema blijven leidend.

Identificatie van de onderneming

De onderneming moet haar juridische identiteit, bestuurders en relevante bedrijfsactiviteiten aantonen. De doelomschrijving in het Handelsregister moet mede zijn gericht op het ter beschikking stellen van arbeid. Buitenlandse ondernemingen moeten gelijkwaardige officiële gegevens overleggen en, waar van toepassing, substantiële activiteiten in het land van vestiging inzichtelijk maken.

Praktisch aandachtspunt: controleer KvK-doelomschrijving, groepsstructuur, bestuurders, buitenlandse registraties en de aansluiting tussen activiteiten en financiële administratie.

Loonheffingen

De onderneming moet haar Nederlandse verplichtingen voor aangifte en betaling van loonheffingen correct en tijdig nakomen. Het inspectieschema legt een verband met aangiften, betalingen en verklaringen omtrent betalingsgedrag.

Praktisch aandachtspunt: zorg dat loonjournaalposten, loonaangiften, betalingen en grootboek zonder onverklaarde verschillen aansluiten.

Omzetbelasting

De btw-administratie, aangiften en betalingen moeten juist, volledig en tijdig zijn. De inspecteur kan de aansluiting met verkoopfacturen en de financiële administratie onderzoeken.

Praktisch aandachtspunt: leg verschillen, suppleties en bijzondere btw-posities schriftelijk vast.

Financiële administratie

De administratie moet de activiteiten rond terbeschikkingstelling afzonderlijk en controleerbaar zichtbaar maken. De inspectie moet geld- en goederenstromen kunnen volgen.

Praktisch aandachtspunt: richt kostendragers of grootboekrekeningen zo in dat uitleenactiviteiten, omzet en loonkosten herkenbaar zijn.

Kasadministratie

Als contante transacties voorkomen, moet een adequate en sluitende kasadministratie worden gevoerd.

Praktisch aandachtspunt: beperk contante betalingen en documenteer iedere kasmutatie met datum, grondslag en bewijsstuk.

G-rekening

Als de onderneming een g-rekening gebruikt, moet zij deze juist hanteren en de mutaties kunnen onderbouwen.

Praktisch aandachtspunt: controleer contractafspraken, stortingen en betalingen vanaf de g-rekening op bestemming en herleidbaarheid.

Inlichtingen en documenten

De onderneming moet de inspectie-instelling tijdig de benodigde informatie en documenten verstrekken. Ook verklaringen omtrent betalingsgedrag en de meest recente jaarrekening spelen hierbij een rol.

Praktisch aandachtspunt: maak één inspectiedossier met actuele verantwoordelijken, documentenlijst en bewaartermijnen.

Identificatie van de arbeidskracht

De onderneming moet de identiteit van arbeidskrachten zorgvuldig vaststellen, relevante kopieën bewaren en controleren of buitenlandse arbeidskrachten gerechtigd zijn in Nederland te werken. Als een derde de feitelijke identiteitsvaststelling uitvoert, moet dit contractueel en administratief zijn geborgd.

Praktisch aandachtspunt: toets de procedure aan de verificatieplicht en controleer her-verificatie bij verlopen documenten.

Arbeidsovereenkomst

Met arbeidskrachten moet aantoonbaar een schriftelijke overeenkomst zijn aangegaan waarin de vereiste gegevens en arbeidsvoorwaarden zijn opgenomen. Voor buitenlandse ondernemingen gelden aanvullende eisen, waaronder meldprocedures.

Praktisch aandachtspunt: werk met actuele modellen en controleer ondertekening, verstrekking, wijzigingen en toepasselijke cao-bepalingen.

Doorsturen van informatie

Bij aanvang van iedere terbeschikkingstelling bevestigt de onderneming schriftelijk onder meer de verwachte ingangsdatum, gegevens van de inlener, functie en, indien van toepassing, de vermoedelijke einddatum.

Praktisch aandachtspunt: laat opdrachtbevestiging, plaatsingsbevestiging en loon-/functie-informatie inhoudelijk op elkaar aansluiten.

Huisvesting

Als de onderneming in huisvesting voorziet of laat voorzien, moet de verhuurder voldoen aan de in het normenkader genoemde toelatings- of certificeringseisen.

Praktisch aandachtspunt: leg vast wie verhuurder is, welk keurmerk of welke status geldt en hoe inhoudingen en huurafspraken worden gecontroleerd.

Adequate loonadministratie

De loonadministratie moet juist, volledig en tijdig zijn. Het normenkader bevat eisen over mutaties, loonstroken, betaling, vakantiebijslag, reserveringen, inhoudingen en verrekeningen.

Praktisch aandachtspunt: controleer vooral uitzonderingen: ziekte, vakantie, overwerk, toeslagen, onkosten, all-in loon en uitdiensttreding.

Verbandlegging uren

Gewerkte, verloonde, gefactureerde en uitbetaalde uren moeten controleerbaar op elkaar aansluiten. Afwijkingen, bijvoorbeeld door een jaarurenmodel, moeten sluitend worden onderbouwd.

Praktisch aandachtspunt: maak periodiek een vierwegcontrole tussen urenregistratie, loonstrook, betaling en verkoopfactuur.

In- en doorlenen van personeel

Bij in- en doorlenen moet de onderneming de keten administratief beheersen. De inspecteur controleert onder meer de aansluiting tussen inkoop en verkoop van uren en of relevante arbeidsvoorwaardeninformatie is doorgestuurd aan de uitlener. Voor bepaalde grensoverschrijdende situaties gelden aanvullende aandachtspunten rond de band tussen werkgever en arbeidskracht.

Praktisch aandachtspunt: breng iedere schakel in beeld, controleer toelatingsposities en leg de informatie-uitwisseling over arbeidsvoorwaarden contractueel én feitelijk vast.

Extra aandacht voor doorleners en backoffice-payrollbedrijven

Het normenkader geeft een concrete definitie van doorlener. Beslissend is of een partij een aan haar ter beschikking gestelde arbeidskracht vervolgens aan een derde ter beschikking stelt om onder toezicht en leiding van die derde te werken. Het etiket dat partijen aan hun overeenkomst geven, is daarbij niet beslissend.

Voor een backoffice-payrollmodel moet daarom per contractketen worden vastgesteld wie werkgever is, aan wie de arbeidskracht juridisch ter beschikking wordt gesteld, wie de eindinlener is, waar toezicht en leiding liggen en wie de arbeidsvoorwaardeninformatie ontvangt en doorstuurt. Een onderneming die uitsluitend in- en doorleent zonder eigen personeel wordt volgens de checklist niet op alle personeels- en loonmodules van hoofdstuk 5 getoetst. Normeis 5.7 blijft juist dan relevant.

Aandachtspunten voor doorleners en backoffice-payrollbedrijven:

  • leg de volledige keten vast: werkgever, eerste inlener/doorlener en eindinlener;
  • zorg voor een sluitende aansluiting tussen inkoopuren, verkoopuren en facturen;
  • regel dat arbeidsvoorwaardeninformatie van de eindinlener tijdig bij de werkgever terechtkomt;
  • controleer bij grensoverschrijdende terbeschikkingstelling de positie van werkvergunningen, meldingen en A1-verklaringen;
  • beoordeel afzonderlijk of iedere schakel zelf toelatingsplichtig is.

Hoe verloopt de inspectie?

De inspectie-instelling werkt met steekproeven en vraagt per geselecteerde arbeidskracht stukken op. Het inspectieschema noemt onder meer de verkoopfactuur, arbeidsovereenkomst, loonbelastingverklaring, identiteits- en werkdocumenten, urenregistraties, loonstrook, uitbetalingsbewijs en onderbouwing van onkosten, inhoudingen en verrekeningen. De inspecteur mag aanvullende stukken opvragen als dat voor de conformiteitsbeoordeling nodig is.

De toets ziet dus op drie niveaus:

1. opzet: zijn procedures en verantwoordelijkheden beschreven?

2. bestaan: zijn de procedures daadwerkelijk ingevoerd?

3. werking: blijkt uit dossiers en steekproeven dat de procedures worden gevolgd?

Wat moet een onderneming nu doen?

1. Bepaal de reikwijdte: inventariseer alle vormen van uitzenden, detacheren, payrollen, collegiale uitleen, backofficedienstverlening en doorlenen.

2. Maak een gap-analyse: leg de bestaande administratie naast de veertien normeisen en het inspectieschema.

3. Test de keten: selecteer zelf dossiers en controleer de aansluiting tussen contract, identiteit, arbeidsvoorwaarden, uren, loon, betaling en facturatie.

4. Herstel contractuele lacunes: neem informatie-, audit-, medewerkings- en beëindigingsbepalingen op in overeenkomsten met inleners, doorleners en uitvoerende dienstverleners.

5. Borg periodieke controle: wijs eigenaren aan, leg controles vast en herhaal deze. Toelating vereist blijvende naleving.

Conclusie

Het Wtta-normenkader maakt van naleving een aantoonbaar en periodiek inspectieonderwerp. Voor traditionele uitleners ligt de nadruk op personeels-, loon-, uren- en financiële administratie. Voor doorleners en backoffice-payrollbedrijven komt daar ketenbeheersing bij: zij moeten kunnen laten zien wie welke rol vervult, hoe arbeidsvoorwaardeninformatie door de keten loopt en hoe inkoop, verkoop en uren op elkaar aansluiten.

Voer vóór de formele aanvraag ten minste één interne proefinspectie uit op basis van echte dossiers. Daarmee worden niet alleen ontbrekende documenten zichtbaar, maar ook verschillen tussen de contractuele opzet en de feitelijke uitvoering.

Bronnen

  • Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 februari 2026, Stcrt. 2026, 6946, Bijlage I (normenkader) en Bijlage II (inspectieschema).
  • Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, zoals gewijzigd door de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten.
  • Besluit van 24 juni 2026 tot vaststelling van de tijdstippen van inwerkingtreding, Stb. 2026, 159.

Het bericht Het Wtta-normenkader: wat moeten uitleners aantoonbaar op orde hebben? verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
OR-verkiezingen uitstellen vanwege een reorganisatie: mag dat? https://devoort.nl/en/uncategorized/or-verkiezingen-uitstellen-reorganisatie/ Tue, 27 Oct 2026 13:30:27 +0000 https://devoort.nl/?p=8939002039 Er komt een belangrijke en ingrijpende verandering in de organisatie aan, maar de OR-verkiezingen staan ook al gepland. Ondernemingsraad en […]

Het bericht OR-verkiezingen uitstellen vanwege een reorganisatie: mag dat? verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Er komt een belangrijke en ingrijpende verandering in de organisatie aan, maar de OR-verkiezingen staan ook al gepland. Ondernemingsraad en bestuurder vinden het wenselijk om de verkiezingen een aantal maanden uit te stellen. Is dat mogelijk?

Uitgangspunt WOR

Het uitgangspunt in de WOR is dat OR-leden voor een bepaalde zittingsduur worden gekozen. In beginsel kan de zittingsduur van de huidige OR niet zomaar worden verlengd. Ook niet als ondernemingsraad en bestuurder het erover eens zijn dat de verkiezingen beter later kunnen plaatsvinden.

De Voorzieningenrechter Eindhoven heeft in de kwestie van de OR van ASML al eerder geoordeeld dat het uitgangspunt dat OR-leden niet langer in functie blijven dan de termijn waarvoor zij zijn gekozen, zwaar moet meewegen. Daarbij gaat het om de positie van de ondernemingsraad en om het recht van medewerkers om periodiek een nieuwe ondernemingsraad te kiezen. Een praktische of organisatorische reden voor uitstel is daarom niet zonder meer voldoende.

Wie medezeggenschap serieus neemt, houdt zich aan de zittingstermijnen. Zo blijft de legitimiteit van de zittende OR-leden gewaarborgd.

In dit geval komt er op korte termijn een ingrijpende organisatorische verandering aan en vallen de verkiezingen daar precies middenin. Er kunnen dan goede redenen zijn om tijdens dat traject de continuïteit in de medezeggenschap te behouden. Maar het risico bestaat dat een rechter oordeelt dat de besluiten van de OR niet legitiem zijn.

Aandachtspunten bij uitstel

Onderzoek de keuze zorgvuldig, leg die vast en bekijk de alternatieven. Denk daarbij aan:

  • Onderzoek minder ingrijpende alternatieven. Laat de verkiezingen doorgaan met een uitgebreide overdracht. Of werk bij de ingrijpende verandering met een adviseur die de nieuwe ondernemingsraad snel bijpraat.
  • Betrek de vakbonden. Spelen vakbonden een rol of kunnen zij kandidaten stellen voor de verkiezingen? Bespreek de keuze om de verkiezingen uit te stellen dan met hen en vraag hoe zij daartegenover staan.
  • Betrek de achterban. Informeer de kiesgerechtigde medewerkers over de reden voor het voorgestelde uitstel. Geef ze de gelegenheid om daarop te reageren.
  • Beperk het uitstel in tijd. Kies waar mogelijk een concrete nieuwe verkiezingsdatum.

Vragen over medezeggenschapsrecht?

Neem contact op met onze medezeggenschapsadvocaten.

Het bericht OR-verkiezingen uitstellen vanwege een reorganisatie: mag dat? verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Toekomst van de turboliquidatie https://devoort.nl/en/uncategorized/toekomst-turboliquidatie/ Tue, 13 Oct 2026 10:22:29 +0000 https://devoort.nl/?p=8939001949 Een bv zonder bezittingen kan eenvoudig worden opgeheven met een turboliquidatie. Dit kan zonder curator of rechter. De wetgever werkt […]

Het bericht Toekomst van de turboliquidatie verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Een bv zonder bezittingen kan eenvoudig worden opgeheven met een turboliquidatie. Dit kan zonder curator of rechter. De wetgever werkt echter aan nieuwe regels en Europese regelgeving dwingt tot aanpassing. Wat is de toekomst van de turboliquidatie en wat betekent die voor ondernemers?

Turboliquidatie voorheen: snel en in stilte

Heeft een bv geen baten (bezittingen) meer? Dan houdt zij op te bestaan zodra de aandeelhouders besluiten over te gaan tot ontbinding middels artikel 2:19 lid 4 BW. Er volgt geen vereffening. Dat heet ook wel turboliquidatie.

Lange tijd was dat de procedure. Het bestuur liet de ontbinding inschrijven bij de Kamer van Koophandel (KvK) en daarmee was de bv opgeheven. Schuldeisers bleven met lege handen achter en konden fluiten naar enige opbrengsten. Uit onderzoek is gebleken dat veel misbruik werd gemaakt van de regeling. Uit cijfers van de Belastingdienst blijkt dat ruim één op de vijf turboliquidaties gepaard ging met een belastingschuld. Bij een analyse van meer dan 184.000 afwikkelingen tussen 2010 en 2016 werd bij ruim 20% nog een openstaande schuld aangetroffen.

Turboliquidatie nu: verantwoording achteraf

Sinds november 2023 geldt de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie (zie ook ons eerdere artikel over deze wet). De wet is inmiddels verlengd tot november 2027. Daarnaast heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aangegeven de regeling permanent te willen maken. De tijdelijke wet heeft meer transparantie en controlemogelijkheden tot doel. Een turboliquidatie is iets minder ‘eenvoudig’ dan voorheen. Zo dient het bestuur binnen veertien dagen na de ontbinding de volgende stukken bij de KvK te deponeren:

  • Een staat van baten en lasten over het jaar van ontbinding en het jaar daarvoor, als daarover geen jaarrekening is gepubliceerd;
  • Een toelichting op waarom er geen baten meer zijn;
  • Als er wel baten waren: hoe die zijn verkocht en verdeeld, en waarom schuldeisers niet (volledig) zijn betaald;
  • Achterstallige jaarrekeningen.

Daarna moet het bestuur de schuldeisers schriftelijk informeren. Hoewel deze extra verplichtingen op zichzelf niet zijn gesanctioneerd, geeft de Tijdelijke wet wel de mogelijkheid om een bestuursverbod op te leggen of tot strafvervolging over te gaan jegens degene die misbruik maakt van de mogelijkheid tot turboliquidatie.

In sommige gevallen kan de turboliquidatie worden voorafgegaan door een feitelijke vereffening. Wat dat betreft kent de Tijdelijke wet een zwakke plek: er staat niet in hoe de middelen moeten worden verdeeld als het niet voor alle schuldeisers genoeg is. Dat kan de bestuurder persoonlijk raken. Een voorbeeld: een bestuurder betaalde vlak voor een turboliquidatie een leverancier die hij zelf nog nodig had en een familielid. Een andere schuldeiser kreeg niets. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de bestuurder daarvoor persoonlijk aansprakelijk is (Rb. Rotterdam 3 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:11851).

Daarnaast controleert niemand of de verplichte stukken die gedeponeerd moeten worden, kloppen. Uit een evaluatie van de wet bleek dat de wet misbruik daardoor maar beperkt tegenhoudt (WODC, 10 juli 2025).

Met het oog op het definitief maken van de wet onderzoekt het kabinet hoe de controle en transparantie kunnen worden verbeterd. Daarnaast moet Nederland vóór 2029 Europese regels invoeren die bestuurders van een bv met schulden verplichten tijdig aan de bel te trekken (Richtlijn (EU) 2025/799). Het stilletjes opheffen van een bv met schulden wordt daardoor een stuk lastiger. Hoe de nieuwe regels er precies uit gaan zien is nog onbekend, aangezien er nog geen definitief wetsvoorstel ligt.

Wat betekent de toekomst van de turboliquidatie voor ondernemers?

  • Turboliquideren terwijl er nog schulden zijn? Dat mag nog steeds, maar de bestuurder verdeelt eventuele baten voorafgaand aan de liquidatie zorgvuldig. De eigen lening of die van de holding gaat niet voor. En schuldeisers bij wie de bestuurder een persoonlijk belang heeft, krijgen geen voorrang. De bestuurder maakt keuzes op basis van objectieve criteria, legt die keuzes vast en deponeert de verplichte stukken volledig en op tijd.
  • Een bv in financiële problemen? Turboliquidatie met schulden is binnen een paar jaar wellicht niet meer mogelijk, of moet aan zwaardere eisen voldoen. Bovendien komt er binnenkort een wettelijke plicht om tijdig een insolventieprocedure aan te vragen. Het is dus zaak om op tijd advies in te winnen.
  • Er zijn ook alternatieven. Een akkoord met de schuldeisers (WHOA), een buitengerechtelijk schuldeisersakkoord, een gewone vereffening of een eigen faillissementsaanvraag kan voor de onderneming en haar zakenrelaties onder omstandigheden beter uitpakken.
  • Schuldeiser van een geturboliquideerde bv? De gedeponeerde stukken staan bij de KvK. Zijn die onvolledig, dan kan de schuldeiser de rechter om inzage in de administratie vragen (artikel 2:24 lid 4 BW). Zijn andere schuldeisers voorgetrokken? Dan is de bestuurder mogelijk aansprakelijk te stellen.

Hulp of advies bij turboliquidatie?

Wilt u uw bv opheffen? Kan uw onderneming haar schulden niet meer betalen? Of bent u benadeeld door een turboliquidatie? Neem dan contact op met één van onze specialisten.

Het bericht Toekomst van de turboliquidatie verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Een auto voor een prikkie, maar wie betaalt de prijs bij faillissement? https://devoort.nl/en/uncategorized/een-auto-voor-een-prikkie-maar-wie-betaalt-de-prijs-bij-faillissement/ Tue, 29 Sep 2026 11:00:00 +0000 https://devoort.nl/?p=8939001900 Stel: je koopt als ondernemer een bedrijfswagen ter waarde van € 80.000 voor € 40.000. Een mooie deal. Je hebt […]

Het bericht Een auto voor een prikkie, maar wie betaalt de prijs bij faillissement? verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Stel: je koopt als ondernemer een bedrijfswagen ter waarde van € 80.000 voor € 40.000. Een mooie deal. Je hebt onderhandeld, de auto bekeken en niets gemerkt van financiële problemen bij de verkoper. Een jaar later gaat de verkoper failliet. Kan de curator de auto dan alsnog terugvorderen?

Het antwoord kan onder de nieuwe Europese regels straks verrassend genoeg “ja” zijn. De Europese richtlijn tot harmonisatie van bepaalde aspecten van het insolventierecht brengt verschillende wijzigingen mee voor het Nederlandse insolventierecht. Eén daarvan raakt iedereen die in het jaar vóór een faillissementsaanvraag goederen of andere vermogensbestanddelen koopt voor een lagere prijs dan de economische waarde.

Hoe werkt het nu?

Op grond van het huidige Nederlandse recht is een koper bij een dergelijke transactie relatief goed beschermd. De curator kan een koopovereenkomst in beginsel alleen vernietigen als sprake is van benadeling van schuldeisers én de koper wist of behoorde te weten dat daarvan sprake was.

Koop je dus voor € 40.000 een auto die € 80.000 waard is, maar is er geen enkele reden om te vermoeden dat de verkoper daarmee zijn schuldeisers benadeelt? Dan is vernietiging van de koop op grond van de faillissementspauliana niet zonder meer mogelijk.

Straks geen wetenschap van benadeling meer nodig

De Europese richtlijn, die overigens voor 22 januari 2029 moet zijn geïmplementeerd, kiest voor bepaalde transacties met een duidelijke onderwaarde voor een andere benadering. Voor transacties in het jaar voorafgaand aan de faillissementsaanvraag wordt het prijsverschil bepalend. De curator hoeft daarbij niet langer aan te tonen dat de koper wist of had moeten weten dat schuldeisers zouden worden benadeeld.

Dat betekent dat ook een koper die volledig te goeder trouw handelt, kan worden geconfronteerd met vernietiging van de rechtshandeling door de curator.

Goed kwijt èn geld kwijt?

Daarmee ontstaat een opvallend risico. Als de curator de koop vernietigt, kan hij vorderen dat het gekochte goed wordt teruggeleverd. Maar wat gebeurt er dan met de € 40.000 die de koper ervoor heeft betaald?

Op grond van de huidige Nederlandse wetgeving heeft de koper voor zijn betaling een boedelvordering, voor zover de boedel daardoor nog is verrijkt. Is het geld bijvoorbeeld nog aanwezig, dan kan de koper dit bedrag als boedelvordering terugvragen. Is het geld inmiddels gebruikt voor andere uitgaven, zoals het betalen van rekeningen of salarissen, dan blijft voor de koper een concurrente faillissementsvordering over. De koper krijgt dan alleen iets terug als er in het faillissement voldoende geld beschikbaar is voor een uitkering aan concurrente schuldeisers. In veel faillissementen krijg je als gevolg niets uitgekeerd; je bent zowel je auto als € 40.000 kwijt.

Onder het huidige Nederlandse recht geldt voor deze nadelige uitwerking dus een hoge drempel: de koper moet in beginsel hebben geweten of hebben moeten weten dat de schuldeisers van de verkoper door de transactie zouden worden benadeeld. De vraag is dan ook of de huidige uitwerking na de implementatie van de richtlijn kan blijven bestaan. Als die wetenschap niet langer vereist is, is het immers de vraag of het gerechtvaardigd is dat een koper die volledig te goeder trouw heeft gehandeld, toch met de financiële gevolgen van de vernietiging wordt geconfronteerd.

Voor ondernemers geldt vanaf de implementatie van de nieuwe richtlijn vermoedelijk meer dan ooit: lijkt een zakelijke deal te mooi om waar te zijn? Wees je bewust van de risico’s en laat je niet eenvoudig verleiden door een forse korting op activa.

Heb je te maken met een wankele handelspartner of wil je risico’s bij activa-transacties beperken? De specialisten van De Voort Advocaten staan je graag bij met praktisch en gedegen advies.

Het bericht Een auto voor een prikkie, maar wie betaalt de prijs bij faillissement? verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Tijdelijk werken over de grens: reist het recht mee? https://devoort.nl/en/uncategorized/tijdelijk-werken-over-de-grens-reist-het-recht-mee/ Tue, 25 Aug 2026 08:08:30 +0000 https://devoort.nl/?p=8939001874 Internationaal ondernemen betekent vaak ook internationaal personeel inzetten. In de praktijk roept dat regelmatig de vraag op welk recht van […]

Het bericht Tijdelijk werken over de grens: reist het recht mee? verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Internationaal ondernemen betekent vaak ook internationaal personeel inzetten. In de praktijk roept dat regelmatig de vraag op welk recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst: het recht van het land waar de werknemer (tijdelijk) werkt, of het recht van het land waar de werknemer vandaan komt?

De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft recent duidelijkheid gegeven over deze vraag in een procedure die was aangespannen door Portugese oud-werknemers van een internationale bouwonderneming. De bouwonderneming werd bijgestaan door Sander van Riel.

Wat was er aan de hand?

De in Portugal gevestigde bouwonderneming verricht bouwwerkzaamheden door de hele Benelux en zet daarvoor Portugees personeel in. De werknemers werkten op basis van een arbeidsovereenkomst met een onzeker einde: een type overeenkomst dat wij in Nederland niet kennen, maar dat in Portugal veel wordt gebruikt in de bouwsector. Zo’n overeenkomst eindigt zodra een bouwwerk of project is afgerond en het werk daarmee komt te vervallen.

Dat was ook hier het geval. De werknemers waren tewerkgesteld op een groot bouwproject dat inmiddels was afgerond. Met inachtneming van de Portugese opzegtermijnen kregen zij te horen dat het werk zou eindigen en dat zij konden terugkeren naar Portugal.

De werknemers waren het daar niet mee eens en stapten naar de Nederlandse kantonrechter. Zij stelden dat Nederlands recht van toepassing was op hun arbeidsovereenkomst, omdat de werkzaamheden in Nederland werden uitgevoerd. Volgens hen was de overeenkomst in strijd met het Nederlandse recht beëindigd, waardoor zij recht zouden hebben op een billijke vergoeding en een transitievergoeding.

De bouwonderneming voerde aan dat juist Portugees recht van toepassing was, omdat sprake was van tijdelijke arbeid in het buitenland. Daarnaast stelde zij dat in de arbeidsovereenkomsten voor Portugees recht was gekozen.

Wat oordeelde de kantonrechter?

De kantonrechter concludeert dat Portugees recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomsten. In de arbeidsovereenkomsten werd namelijk verwezen naar een Portugees wetsartikel waarin de arbeidsovereenkomst met een onzeker einde is geregeld. Daaruit leidt de kantonrechter af dat sprake is van een impliciete rechtskeuze, zoals bedoeld in artikel 3 van de Rome I-Verordening.

Een rechtskeuze is echter niet per definitie doorslaggevend. Op grond van artikel 8 lid 1 Rome I mag een rechtskeuze er namelijk niet toe leiden dat een werknemer de bescherming verliest van dwingendrechtelijke bepalingen van het recht dat zonder die rechtskeuze van toepassing zou zijn geweest: het zogenoemde objectief toepasselijke recht.

Daarom moet de kantonrechter ook vaststellen welk recht objectief van toepassing is. Op grond van artikel 8 lid 2 Rome I is dat in beginsel het recht van het land waar, of van waaruit, de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht. Dat ‘gewoonlijk werkland’ verandert niet wanneer een werknemer slechts tijdelijk in een ander land werkt.

De kantonrechter woog verschillende feitelijke omstandigheden mee. In de arbeidsovereenkomsten was vastgelegd dat de werknemers na afloop van de werkzaamheden zouden terugkeren naar Portugal. Ook ontvingen de werknemers een ‘home leave’-vergoeding en had de werkgever melding gemaakt van de tijdelijke tewerkstelling. Bovendien was het leeuwendeel van de werknemers daadwerkelijk teruggekeerd naar Portugal en hadden vrijwel alle werknemers daar een uitkering aangevraagd.

Op basis van deze omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat Nederland in deze zaak niet als het gewone werkland kan worden aangemerkt, omdat de werkzaamheden in Nederland een tijdelijk karakter hadden. Daarmee blijft het Portugese recht niet alleen het gekozen recht, maar ook het objectief toepasselijke recht. De werknemers konden daarom geen aanspraak maken op een billijke vergoeding of op de Nederlandse transitievergoeding.

Wat maakt tewerkstelling tijdelijk?

Voor werkgevers is vooral relevant hoe de kantonrechter het begrip “tijdelijk” uitlegt. Zij sluit daarbij aan bij overweging 36 van de Rome I-Verordening: arbeid in een ander land is tijdelijk wanneer van de werknemer wordt verwacht dat hij na voltooiing van zijn werkzaamheden terugkeert naar zijn land van herkomst.

Belangrijk is dat de kantonrechter bevestigt dat het niet vereist is dat de werknemer na zijn terugkeer opnieuw voor dezelfde werkgever gaat werken. Ook wanneer alleen de verwachting bestaat dat de werknemer terugkeert naar zijn land van herkomst om daar elders werk te verrichten, kan nog steeds sprake zijn van tijdelijke tewerkstelling in de zin van de Rome I verordening.

Betekenis voor de praktijk

Voor ondernemingen die werknemers grensoverschrijdend inzetten, onderstreept dit oordeel vooral het belang van het goed vastleggen én consequent naleven van afspraken over de tijdelijke tewerkstelling. Gebeurt dat niet, dan bestaat het risico dat het recht van het land waar een werknemer tijdelijk werkzaamheden verricht onbedoeld van toepassing wordt op de arbeidsovereenkomst. 

Heeft uw onderneming te maken met internationale inzet van personeel of heeft u een andere arbeidsrechtelijke vraag? Neem dan contact op met Sander van Riel of het team flexrecht.  

Het bericht Tijdelijk werken over de grens: reist het recht mee? verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Van Wazo naar Verlofwet: wat betekent dit voor werkgevers? https://devoort.nl/en/uncategorized/van-wazo-naar-verlofwet-wat-betekent-dit-voor-werkgevers/ Tue, 18 Aug 2026 08:01:00 +0000 https://devoort.nl/?p=8939001863 De afgelopen jaren is het Nederlandse verlofstelsel steeds verder uitgebreid. Met de invoering van onder meer het geboorteverlof, aanvullend geboorteverlof […]

Het bericht Van Wazo naar Verlofwet: wat betekent dit voor werkgevers? verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
De afgelopen jaren is het Nederlandse verlofstelsel steeds verder uitgebreid. Met de invoering van onder meer het geboorteverlof, aanvullend geboorteverlof en betaald ouderschapsverlof hebben werknemers meer mogelijkheden gekregen om werk en privé te combineren. Tegelijkertijd is het stelsel ook steeds ingewikkelder geworden. Voor werkgevers betekent dat een wirwar aan verschillende verlofregelingen, voorwaarden en kenmerken. De regering wil daar verandering in brengen met een nieuwe Verlofwet. Wat houdt dit wetsvoorstel in en wat kunnen werkgevers hiervan verwachten?

Van Wazo naar Verlofwet

Met de Verlofwet wordt de huidige Wet arbeid en zorg (Wazo) vervangen. Het uitgangspunt van dit wetsvoorstel is niet om het verlofstelsel volledig op de schop te nemen, maar om het eenvoudiger, begrijpelijker en overzichtelijker te maken. Volgens de regering is het huidige stelsel door de vele uitbreidingen en wijzigingen steeds complexer geworden. Werknemers weten daardoor niet altijd welke verlofrechten zij hebben, terwijl werkgevers te maken krijgen met uiteenlopende administratieve vereisten.

Om die reden wordt het verlofstelsel opnieuw ingericht. De verschillende verlofregelingen worden ondergebracht in drie pijlers: verlof voor ouders, zorg voor naasten en persoonlijk verlof. Daarnaast worden begrippen, voorwaarden en kenmerken waar mogelijk gelijkgetrokken, bijvoorbeeld vergelijkbare regels over aanvraagtermijnen. Hierdoor moet de wet overzichtelijker worden en eenvoudiger zijn toe te passen in de praktijk.

Het wetsvoorstel is in de kern een administratieve vereenvoudiging. De bestaande verlofrechten blijven daarom grotendeels in stand. Zo veranderen de duur van de verschillende verlofregelingen en de hoogte van de bijbehorende uitkeringen in beginsel niet. De nadruk ligt vooral op een logischere structuur en een beter uitvoerbaar systeem.

Wat betekent dit voor werkgevers?

Voor werkgevers zit de grootste winst vooral in de vereenvoudiging van het verlofstelsel. Doordat de wet overzichtelijker wordt ingericht en regels waar mogelijk worden geharmoniseerd, wordt het eenvoudiger om verschillende verlofregelingen in de praktijk toe te passen. Hierdoor ontstaat meer duidelijkheid over de toepasselijke regels en nemen de verschillen tussen de verschillende verlofsoorten af. Naar verwachting zal dit leiden tot minder administratieve lasten voor werkgevers.

Een goede voorbereiding is van belang voor werkgevers. Werkgevers zullen zich moeten verdiepen in de nieuwe regels, waar nodig hun administratieve systemen moeten aanpassen en medewerkers tijdig moeten informeren over de gewijzigde verlofregelingen.

Naast de vereenvoudiging van het verlofstelsel bevat het wetsvoorstel een inhoudelijke wijziging voor werkgevers. Werkgevers worden verplicht om tijdens verlof waarvoor een UWV-uitkering geldt een loonvervangende betaling aan de werknemer te doen. De werkgever schiet de uitkering daarmee als het ware voor en ontvangt deze vervolgens van het UWV. Dit moet de drempel voor werknemers verlagen om verlof op te nemen, omdat zij tijdens hun verlof geen tijdelijk inkomensverlies meer ervaren.

Wat is de huidige status?

De Verlofwet is op dit moment nog een wetsvoorstel. Het voorstel ligt tot 10 augustus 2026 ter internetconsultatie. Tijdens deze consultatie kunnen burgers, werkgevers, brancheorganisaties en andere belanghebbenden reageren op het wetsvoorstel. De regering beoordeelt deze reacties en kan het voorstel vervolgens nog aanpassen voordat het bij de Tweede Kamer wordt ingediend.

De Verlofwet is dus nog niet in werking getreden. De beoogde datum van inwerkingtreding is op dit moment 1 januari 2028. Tot die tijd blijft de huidige Wazo van toepassing. Wel is het verstandig om de ontwikkelingen rondom de Verlofwet te blijven volgen.

Heeft u een vraag naar aanleiding van dit wetsvoorstel of een andere vraag over het arbeidsrecht? Neem gerust contact op met ons team arbeidsrechtadvocaten. Wij helpen u graag verder.

Met dank aan Nina de Kort voor het meeschrijven aan dit blog.

Het bericht Van Wazo naar Verlofwet: wat betekent dit voor werkgevers? verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Ontslag als statutair bestuurder: deel 1 https://devoort.nl/en/uncategorized/ontslag-als-statutair-bestuurder-deel-1/ Thu, 30 Jul 2026 06:57:06 +0000 https://devoort.nl/?p=8939001827 Arbeidsrechtelijke aspecten Een bestuurder ontslaan lijkt eenvoudig: de aandeelhoudersvergadering besluit hem te ontslaan, en de bestuurder is weg. Maar zo […]

Het bericht Ontslag als statutair bestuurder: deel 1 verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Arbeidsrechtelijke aspecten

Een bestuurder ontslaan lijkt eenvoudig: de aandeelhoudersvergadering besluit hem te ontslaan, en de bestuurder is weg. Maar zo simpel is het niet. Een bestuurder is namelijk niet alleen bestuurder, hij heeft vaak ook een arbeidsrechtelijke betrekking. Die twee rollen lopen door elkaar heen, en juist dat maakt zijn ontslag juridisch interessant.

Deze blog is het eerste deel van ons tweeluik. In dit deel belichten wij de arbeidsrechtelijke kant van het ontslag van een statutair bestuurder. In deel twee richten wij ons op de medezeggenschapsrechtelijke kant en het adviesrecht van de ondernemingsraad.

Eén persoon, twee rollen

Een statutair bestuurder heeft een dubbele rechtsverhouding. Hij is niet alleen bestuurder van de vennootschap, maar hij is doorgaans ook werknemer. Hij moet immers betaald worden voor zijn werk als bestuurder.

Die twee verhoudingen zijn juridisch gezien van elkaar te onderscheiden, maar in de praktijk wil een onderneming die afscheid neemt van een bestuurder beide tegelijk beëindigen.

De wet biedt daarvoor gelukkig een praktische route.

Het ontslag door de AVA: één besluit, twee gevolgen

Uit de zogenoemde 15-april-arresten van de Hoge Raad (deze zijn hier en hier te vinden) volgt de hoofdregel: een rechtsgeldig vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit heeft in beginsel tevens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot gevolg. De wettelijke basis is artikel 7:671 lid 1 sub e BW.

Een geldig AVA-besluit is dus in beginsel voldoende om zowel het bestuurderschap als de arbeidsovereenkomst te beëindigen, zonder dat de onderneming een separate ontslagprocedure bij het UWV of de kantonrechter hoeft te doorlopen.

Dit is voor de onderneming een belangrijk voordeel ten opzichte van een gewone werknemer. De omslachtige UWV-procedure of kantonrechtersroute is niet vereist. Wél is vereist dat het ontslagbesluit rechtsgeldig is genomen. En dat is waar de risico’s liggen.

Formele vereisten

Een ontslagbesluit dat niet aan de regels voldoet, kan ongedaan gemaakt worden, met alle gevolgen van dien. Dat betekent in het ergste geval dat de bestuurder zijn positie terugkrijgt, of een flinke schadevergoeding ontvangt. Let daarom altijd op het volgende.

  • Juiste oproeping: De oproeping voor de AVA moet aan wettelijke en statutaire vereisten voldoen. Dit betekent onder andere inachtneming van de juiste termijn en een expliciete vermelding van het ontslag als agendapunt.
  • Hoor en wederhoor: De bestuurder moet tijdens de algemene vergadering de kans krijgen zijn kant van het verhaal te vertellen.
  • Raadgevende stem: Het klinkt vreemd, maar de bestuurder moet óók als het om zijn eigen ontslag gaat in de gelegenheid worden gesteld een advies aan de algemene vergadering uit te brengen.
  • Statutaire bevoegdheid: Controleer altijd of de juiste persoon of het juiste orgaan het besluit neemt. Staat in de statuten dat bestuurders worden benoemd en ontslagen door de raad van commissarissen, of dat die raad met de benoeming moet instemmen? Dan moet dat ook echt gebeuren.

Kosten

Een ontslagen bestuurder heeft in beginsel recht op een transitievergoeding: een wettelijke vergoeding berekend op basis van zijn salaris en dienstjaren. Dit kan anders zijn als er met de bestuurder financiële afspraken zijn gemaakt in het geval van ontslag.

Daarbovenop kan de bestuurder aanspraak maken op een billijke vergoeding als de vennootschap ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daar kan sprake van zijn als de formele ontslagprocedure bewust is omzeild of een opzegverbod is genegeerd. Die vergoeding kan fors oplopen.

Vaststellingsovereenkomst

In de meeste gevallen eindigt het dienstverband van een bestuurder niet via een formeel ontslagbesluit, maar door middel van een vaststellingsovereenkomst (VSO): een schriftelijke overeenkomst waarin beide partijen afspraken maken over het vertrek. Dat biedt zekerheid aan beide kanten.

Bij het opstellen van een VSO is een aantal zaken cruciaal: de hoogte van de vergoeding, de einddatum, de vraag of het concurrentiebeding blijft gelden, een eventuele vrijstelling van werk en een zogenoemde WW-vriendelijke formulering, zodat de bestuurder na zijn vertrek aanspraak kan maken op een WW-uitkering.

Conclusie

Het ontslag van een statutair bestuurder vergt voorbereiding. De hoofdregel: een geldig AVA-besluit beëindigt ook de arbeidsovereenkomst. Dat biedt de onderneming een efficiënte route, maar stelt tegelijk eisen aan de te volgen procedure. Een onzorgvuldig ontslag kan leiden tot vernietiging van het ontslagbesluit, een billijke vergoeding of een langdurige procedure.

Zorg dat de oproeping voor de AVA tijdig en correct wordt verzonden, dat de bestuurder de gelegenheid krijgt zijn standpunt kenbaar te maken en zijn raadgevende stem uit kan oefenen, en dat het dossier op orde is voordat het ontslag wordt aangezegd. En laat u juridisch adviseren voordat u de procedure inzet. Voorkomen is beter dan genezen.

Bij vragen over dit onderwerp of met andere arbeidsrechtelijke vragen kunt u terecht bij onze specialisten arbeidsrecht.

Het bericht Ontslag als statutair bestuurder: deel 1 verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Vastgoedontwikkeling en netwerkcongestie https://devoort.nl/en/uncategorized/vastgoedontwikkeling-en-netwerkcongestie/ Tue, 28 Jul 2026 07:35:19 +0000 https://devoort.nl/?p=8939001809 Inleiding Steeds vaker krijgen projectontwikkelaars, beleggers maar ook (ver)huurders te maken met beperkingen op het elektriciteitsnet. Waar een nieuwe of […]

Het bericht Vastgoedontwikkeling en netwerkcongestie verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Inleiding

Steeds vaker krijgen projectontwikkelaars, beleggers maar ook (ver)huurders te maken met beperkingen op het elektriciteitsnet. Waar een nieuwe of zwaardere aansluiting voorheen vaak een formaliteit was, blijkt tegenwoordig regelmatig dat onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is. Een nieuwe bedrijfslocatie wordt gekocht, een bedrijf wil uitbreiden of een pand wordt verduurzaamd, maar vervolgens blijkt dat de benodigde transportcapaciteit niet beschikbaar is.

In de praktijk ontstaat dan al snel de vraag of een netbeheerder verplicht is om een aansluiting te realiseren of extra capaciteit beschikbaar te stellen. Een centrale rol is daarbij weggelegd voor de Aansluit- en Transportovereenkomst (“ATO”). De ATO afgesloten vóór 2024 is doorgaans een zogeheten vaste ATO. In 2024 zijn daar nieuwe contractvarianten – met minder zekerheid dan de traditionele rechten – bij gekomen.  In deze blog bespreken wij de wettelijke aansluitplicht van de netbeheerder, de betekenis van deze vaste ATO en de gevolgen van netcongestie voor vastgoed- en ontwikkelingsprojecten.

Wat is een vaste ATO?

De Aansluit- en Transportovereenkomst vormt de juridische basis voor de aansluiting in combinatie met de levering van transportcapaciteit op het elektriciteitsnet. In deze overeenkomst tussen de netbeheerder en een afnemer (eigenaar of bedrijf) worden onder meer afspraken gemaakt over de aansluiting van een locatie op het net en de hoeveelheid capaciteit die de afnemer mag afnemen en/of terugleveren.

In de praktijk wordt vaak verondersteld dat een bestaande aansluiting automatisch betekent dat op ieder gewenst moment van de dag ook voldoende stroom voor het bestaande of beoogde gebruik beschikbaar is. Dat is echter niet het geval. Een aansluiting en transportcapaciteit zijn juridisch en feitelijk twee verschillende zaken. Het is daarom goed mogelijk dat een perceel of bedrijfsgebouw beschikt over een aansluiting, terwijl een uitbreiding van de gecontracteerde capaciteit niet beschikbaar is.

Aansluitplicht netbeheerder

Het Nederlandse energiesysteem is gebaseerd op het uitgangspunt dat afnemers toegang moeten kunnen krijgen tot het energienet. Op netbeheerders rust daarom een wettelijke aansluitplicht, deze is opgenomen in art. 3.38 Energiewet.

Dat betekent dat een netbeheerder in beginsel verplicht is om een verzoek tot aansluiting op het elektriciteitsnet te honoreren. Deze verplichting is van groot maatschappelijk belang. Zonder aansluiting kunnen woningen, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen immers niet functioneren.

De wettelijke aansluitplicht betekent echter niet dat iedere gewenste aansluiting onmiddellijk gerealiseerd kan worden. Voor de uitvoering daarvan is de netbeheerder afhankelijk van de technische mogelijkheden van het net en de beschikbare infrastructuur.

Daarnaast heeft een netbeheerder een transportverplichting. Netbeheerders moeten in beginsel voor de betreffende aansluiting ook capaciteit beschikbaar stellen voor het transport van elektriciteit. Juist op dit punt ontstaat momenteel veel discussie.

Netcongestie en de grenzen van de transportverplichting

De energietransitie, elektrificatie van bedrijfsprocessen, laadvoorzieningen voor voertuigen en de groei van duurzame energieopwekking leggen een grote druk op het elektriciteitsnet. Daardoor is in veel regio’s sprake van netcongestie. Dat betekent dat er meer transportcapaciteit wordt gevraagd dan het net op de gevraagde momenten van de dag kan verwerken.

De wet verplicht netbeheerders weliswaar om transportdiensten aan te bieden, maar die verplichting kent grenzen. Wanneer de netbeheerder aannemelijk kan maken dat onvoldoende capaciteit beschikbaar is of dat de betrouwbaarheid en veiligheid van het net in gevaar komen, kan een aanvraag voor transportcapaciteit worden geweigerd of op een wachtlijst worden geplaatst. Dat leidt regelmatig tot juridische discussies. Ondernemers hebben vaak aanzienlijke investeringen gedaan in vastgoed of bedrijfsontwikkeling en rekenen erop dat op enig moment voldoende elektriciteit beschikbaar zal zijn. De netbeheerder beroept zich daarentegen op de fysieke beperkingen van het netwerk.

Dat betekent dat het bij vastgoedtransacties niet langer afdoende is om na te gaan óf een pand aangesloten is op het elektriciteitsnet, maar het ook van belang is of er afdoende transportcapaciteit beschikbaar is voor het beoogde gebruik van het pand. Voor projectontwikkelaars, (potentiële) kopers en/of huurders is het daarom raadzaam om tijdig onderzoek te doen naar de bestaande aansluiting en de inhoud van de afspraken met de netbeheerder in de (vaste) ATO: welke aansluitcapaciteit is aanwezig en welke transportcapaciteit is voor welke momenten gecontracteerd? Is het beoogde gebruik afhankelijk van eventuele aanvullende capaciteit, en daarmee een aanvullende aanvraag voor aanvullende transportcapaciteit?

Het is verstandig dit soort onzekerheden (risico’s) te benoemen in onderhandelingen tot aankoop van vastgoed, en afspraken daarover af te hechten in de daaropvolgende koopovereenkomst. Het kan bijvoorbeeld verstandig zijn om opschortende voorwaarden op te nemen of specifieke garanties te vragen over de beschikbare capaciteit. In huurovereenkomsten kan het van belang zijn om acht te slaan op de vraag of verhuurder of huurder de contractspartij is bij de (vaste) ATO, en wat de gevolgen kunnen zijn voor de ander op het moment dat één van de partijen niet aan haar verplichtingen op grond van deze ATO voldoet.

Heeft u vragen over een Aansluit- en Transportovereenkomst, de aansluitplicht van de netbeheerder of de gevolgen van netcongestie voor uw vastgoedproject? Neem dan contact op met één van onze specialisten van de sectie Vastgoed en Bouwrecht Angela Coppelmans of Anne van Beijsterveldt.

Het bericht Vastgoedontwikkeling en netwerkcongestie verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Alimentatie: de kosten van de kinderen op een vakantie https://devoort.nl/en/uncategorized/alimentatie-de-kosten-van-de-kinderen-op-een-vakantie/ Mon, 20 Jul 2026 07:53:13 +0000 https://devoort.nl/?p=8939001797 De kosten van een vakantie met kinderen worden in principe betaald door de ouder die met de kinderen op vakantie gaat. Vakantiekosten vallen namelijk onder de verblijfskosten. Verblijfskosten zijn kosten die een ouder maakt wanneer de kinderen bij hem of haar verblijven. Indien de onderhoudsplichtige met zijn kinderen op vakantie wil, zal de kinderalimentatie niet wijzigen. Op voorhand is er door middel van de berekening van een zorgkorting rekening gehouden met eventuele vakanties van de onderhoudsplichtige en de kinderen. Ouders kunnen ook onderling afspraken maken over de kosten van een vakantie met of van kinderen, waaronder bijvoorbeeld de kosten van een kamp waaraan een kind deelneemt. Als hierover geen afspraken zijn gemaakt, hangt het antwoord op de vraag wie de kosten van het kamp betaalt van de vraag of er overeenstemming is, óf in wiens zorgperiode een kamp valt.

Het bericht Alimentatie: de kosten van de kinderen op een vakantie verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Over de kosten voor de kinderen worden geregeld discussies gevoerd tussen ouders. Zo ook wie de kosten voor een vakantie met de kinderen moet betalen. Moet de ouder die op vakantie gaat dit zelf betalen of moeten beide ouders bijdragen aan de kosten voor een vakantie met de kinderen? Gezien het feit dat de zomervakantie er bijna aankomt, zal dit artikel verder ingaan op deze vraag. 

1. Wie moet de kosten voor de vakantie met de kinderen betalen?

De ouder die met de kinderen op vakantie gaat, zal de kosten zelf moeten dragen voor de vakantie. Vakanties vallen namelijk onder verblijfskosten en deze kunnen dan ook niet worden verhaald op de andere ouder.

2. Wat zijn verblijfskosten eigenlijk? 

Verblijfskosten zijn kosten die een ouder maakt wanneer de kinderen bij die betreffende ouder zijn. Deze kosten worden door beide ouders gemaakt en dienen zij zelf te betalen. Verblijfskosten worden dan ook niet betaald uit een eventuele kinderalimentatie die een ouder ontvangt.

3. Wat zijn andere voorbeelden van verblijfskosten?

Naast dat de kosten voor een vakantie onder verblijfskosten vallen, zijn er ook andere voorbeelden van verblijfskosten. Denk hierbij aan kosten voor:

  • eten;
  • lichaamsverzorging;
  • speelgoed;
  • uitstapjes;
  • hypotheekrente;
  • huur.

4. Moet de onderhoudsplichtige kinderalimentatie doorbetalen als hij zelf met de kinderen op vakantie gaat?

Ja, de onderhoudsplichtige is verplicht om iedere maand de kinderalimentatie te betalen. Daarbij maakt het geen verschil of de onderhoudsplichtige met de kinderen op vakantie is.

5. Wordt bij de onderhoudsplichtige rekening gehouden met de kosten van een vakantie met de kinderen?

Ja, bij de berekening van de kinderalimentatie wordt in principe rekening gehouden met de kosten van de kinderen tijdens een vakantie. Dit wordt gedaan door een zogenaamde zorgkorting toe te passen. Deze korting wordt namelijk in mindering gebracht op de te betalen kinderalimentatie. De hoogte van de zorgkorting is afhankelijk van de mate van zorg die de onderhoudsplichtige heeft voor de kinderen.
Wil je meer lezen over de kinderalimentatie en de zorgkorting, zie dan dit artikel over kinderalimentatie.

6. Kunnen partijen onderling afspraken maken over de kosten van een vakantie?

Ja, partijen mogen onderling zowel aanvullende als specifieke afspraken maken met elkaar met betrekking tot de kosten van een vakantie. Indien de situatie tussen partijen of voor één van de partijen wijzigt, dan kunnen partijen het ouderschapsplan wijzigen. Hiervoor is wel toestemming van beide partijen vereist. Deze afspraken kunnen worden opgenomen in het ouderschapsplan. Wanneer partijen het niet eens worden over dergelijke afspraken, kan hiervoor (ook) een mediator worden ingeschakeld.

7. Als een kind bijvoorbeeld op kamp wil, wie betaalt dan de kosten?

Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de vraag of de ouders overeenstemming hebben dat het kind op kamp gaat én in wiens zorgdagen een kamp plaatsvindt. Bij overeenstemming ligt het voor de hand dat beide ouders al dan niet naar rato van draagkracht bijdragen aan de kosten voor het kamp. Wanneer ouders geen overeenstemming hebben, kan één van de ouders ervoor kiezen om de kosten voor het kamp zelf te bekostigen. Op voorhand kunnen hierover ook afspraken worden gemaakt om discussies in de toekomst te voorkomen. Deze afspraken kunnen de ouders bijvoorbeeld in een ouderschapsplan neerleggen.

Heeft u vragen? 

Heeft u vragen over dit artikel of over de kinderalimentatie, neem dan gerust contact op met één van onze familierecht advocaten.

Het bericht Alimentatie: de kosten van de kinderen op een vakantie verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Vaststelling van kinderalimentatie bij minderjarige kinderen https://devoort.nl/en/uncategorized/vaststelling-van-kinderalimentatie-bij-minderjarige-kinderen/ Thu, 09 Jul 2026 09:13:37 +0000 https://devoort.nl/nieuws/vaststelling-van-kinderalimentatie-bij-minderjarige-kinderen/ Kinderalimentatie is een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kinderen. Dit […]

Het bericht Vaststelling van kinderalimentatie bij minderjarige kinderen verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>
Kinderalimentatie is een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kinderen. Dit kan worden betaald aan de andere ouder of aan het kind zelf wanneer het kind 18 jaar is geworden, en moet worden betaald totdat het kind de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt zolang een kind behoeftig is. Kinderalimentatie wordt vastgesteld aan de hand van het eigen aandeel in de kosten van de kinderen, de draagkracht en de eventuele inkomensvergelijking. Hierbij kan het Rapport Alimentatienormen 2026 handvatten bieden. In dit artikel wordt ingegaan hoe kinderalimentatie in de basis wordt vastgesteld.

Vaststelling eigen aandeel in de kosten van de kinderen

Het eigen aandeel wordt gebaseerd op het netto besteedbaar gezinsinkomen. Dit is het gezamenlijke inkomen dat de ouders tezamen hadden in de laatste periode dat zij met de kinderen een gezin vormden. Hieronder vallen ook het kindgebonden budget en andere aanspraken. Met behulp van het netto besteedbaar gezinsinkomen kan het eigen aandeel in de kosten van de kinderen worden bepaald. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de behoeftetabel uit het jaar dat de ouders voor het laatst een gezin vormden. Wanneer de ouders bijvoorbeeld voor het laatst een gezin vormden in 2025, wordt normaal gesproken de behoeftetabel uit 2025 gebruikt om het eigen aandeel vast te stellen. Bij de vaststelling van het eigen aandeel zijn ook andere factoren relevant waarmee rekening mee moet worden gehouden, zoals een aanzienlijke inkomensstijging van een ouder en bijzondere kosten voor de kinderen.

Indexering

Wanneer het eigen aandeel wordt vastgesteld op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, wordt het eigen aandeel geïndexeerd naar het jaar van ingang. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het indexeringspercentage, welk elk jaar verandert. In 2026 bedraagt het indexeringspercentage 4,6%.

Vaststelling draagkracht

De draagkracht is het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van de verzorging en de opvoeding van het kind. De berekening van de draagkracht is afhankelijk van het inkomen van een ouder: bij een inkomen lager dan € 2.200 wordt gebruik gemaakt van een draagkrachttabel en bij een inkomen gelijk aan of hoger dan € 2.200 wordt gebruik gemaakt van een vaste formule. Met niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten wordt ook rekening gehouden bij de vaststelling van de draagkracht.

Inkomensvergelijking

Wanneer er onvoldoende draagkracht beschikbaar is om in het eigen aandeel van de kinderen te voorzien, moet de volledige draagkracht van de ouder worden bijgedragen. Als er sprake is van voldoende draagkracht, moet er een inkomensvergelijking worden uitgevoerd om te kunnen berekenen welk bedrag precies aan kinderalimentatie moet worden betaald. Het is namelijk niet de bedoeling dat de ouder, die de kinderalimentatie ontvangt, in een betere financiële positie terechtkomt dan de ouder, die de kinderalimentatie betaalt. Dit betekent dat wanneer de ontvangende ouder in een betere financiële positie terecht komt, het bedrag aan kinderalimentatie moet worden aangepast. Het bedrag wordt dan tot een zodanig bedrag verlaagd dat beide ouders een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Ook dit wordt aan de hand van een bepaalde formule berekend. Vervolgens is het nog mogelijk dat een zorgkorting wordt toegepast op de kinderalimentatie. Wanneer dit wordt toegepast, moet de zorgkorting worden verminderd op de draagkracht van de betalende ouder. Op die manier wordt de uiteindelijke kinderalimentatie bepaald.

Zorgkorting

De zorgkorting is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week dat het kind doorbrengt bij de ouder waar het kind niet zijn hoofverblijf heeft. Die ouder voorziet dan namelijk zelf in een deel van de kosten van het kind en hoeft daardoor minder kinderalimentatie te betalen. De overeengekomen zorgverdeling heeft op die manier invloed op de te betalen kinderalimentatie. De zorgkorting wordt enkel toegepast als er voldoende draagkracht is en wordt bepaald door het onderstaande percentage te vermenigvuldigen met het eigen aandeel:

– 5 % bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;

– 15 % bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;

– 25 % bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;

– 35 % bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

Vragen

Na het doorlopen van al deze stappen kan de te betalen kinderalimentatie worden bepaald. Uiteraard bestaan hierop uitzonderingen. Meer weten over kinderalimentatie? Lees ook dit artikel.

Heeft u vragen over de uitzonderingen of over dit artikel, neem dan gerust contact op met één van onze familierecht advocaten.

Het bericht Vaststelling van kinderalimentatie bij minderjarige kinderen verscheen eerst op De Voort Advocaten | Mediators.

]]>