Het bedrijf Ericsson had een ondernemingsovereenkomst gesloten met de ondernemingsraad (hierna: OR) en wilde hier van af. In de overeenkomst had het bedrijf de OR extra instemmingsrechten gegeven over onder andere salarisverhogingen. In 2023 liep het gesprek tussen Ericsson en de OR alleen vast, waardoor Ericsson de stekker uit de overeenkomst trok. Volgens de OR was deze keuze te snel, waardoor het geschil voor de kantonrechter werd gebracht.
Wat speelde er?
Sinds 2012 had Ericsson met de OR een ondernemingsovereenkomst gesloten in de zin van art. 32 lid 2 WOR. Daarin stond dat Ericsson zich bij loonsverhogingen zou baseren op de ICK-cao en dat de OR extra instemmingsrecht kreeg op het jaarlijkse salarisbesluit. Tot 2022 stemde de OR telkens in met de jaarlijkse verhoging. In 2022 werd de OR voor het eerst gepasseerd, zonder dat daar direct een punt van werd gemaakt. Maar in 2023 ging het mis: de OR stelde een salarisverhoging van 11% voor middels een initiatiefvoorstel in de zin van art. 23 lid 3 WOR, terwijl Ericsson uiteindelijk 7% bood. Hierover gingen Ericsson en de OR in gesprek, waarna Ericsson in een overlegvergadering aan de OR kenbaar had gemaakt dat zij de ondernemingsovereenkomst wilde opzeggen.
Volgens de OR was dat onterecht. Hij vond dat de overeenkomst nog steeds gold en dat Ericsson zich eraan moest houden. De zaak kwam daarom voor de rechter.
Wat oordeelde de rechter?
Voor de rechter stonden eerst de formele vereisten centraal, zoals de vraag of de opzegging in overlegvergaderingen was besproken. Dat was het geval, maar daarmee was het geschil nog niet afgedaan. Volgens de door de kantonrechter aangehaalde rechtspraak moet namelijk ook worden gekeken naar wat in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk is. Daarbij spelen onder meer de aard van de overeenkomst en eventuele bijzondere omstandigheden een rol bij de beoordeling of een ondernemingsovereenkomst voor onbepaalde tijd rechtsgeldig kan worden opgezegd.
Vanuit dit licht was de opzegging niet redelijk, zo oordeelde de kantonrechter. De ondernemings-overeenkomst gaf de OR juist een stevige rol bij primaire arbeidsvoorwaarden, iets wat je niet zomaar kan terugdraaien. De rechter vond bovendien dat Ericsson andere wegen had kunnen bewandelen: bijvoorbeeld een instemmingsverzoek doen of via de rechter om vervangende toestemming vragen. In plaats daarvan trok Ericsson direct de stekker uit de hele afspraak. Dat was te kort door de bocht.
De volledige uitspraak vindt u hier.
Waarom is dit belangrijk?
Deze uitspraak maakt duidelijk dat een ondernemingsovereenkomst tussen een bestuurder en een ondernemingsraad niet zomaar mag worden opgezegd. De kantonrechter benadrukt dat zo’n opzegging alleen mogelijk is als die in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk is. Bestuurders die bijvoorbeeld extra instemmingsrechten toekennen aan de OR, kunnen die afspraken dus niet eenzijdig terugdraaien zodra het overleg stroef verloopt. Wie dat toch doet, loopt het risico dat de rechter ingrijpt, waardoor de overeenkomst in stand wordt gehouden.
Vragen over ondernemingsovereenkomsten of medezeggenschap?
Neem contact op met onze medezeggenschapsadvocaten. Zij helpen u graag verder.
Met dank aan Koen Meuwese voor het meeschrijven aan deze blog.
